Ketel

 

Inge Baetens leidt sinds juni 2014 onze organisatie. Zij studeerde archeologie aan de universiteit Gent. Op 8-jarige leeftijd geraakte ze helemaal in de ban van archeologie door het lezen van een boek over de ontdekking van het graf van de farao Toetanchamon. Niet Egypte maar het Waasland werd uiteindelijk haar werkterrein. Naast de algemene werking is Inge nauw betrokken bij projecten rond erfgoededucatie. Ze koos voor deze zwaar toegetakelde koperen ketel uit het depot.

Waterketel

Tot in de 13de eeuw behoorden ketels tot het kostbaarste kookgerei van een middeleeuws huishouden. Ze werden vervaardigd door metalen platen (messing of koper) in de gewenste vorm te slaan of te hameren (een halve bol of een cilinder met een iets uitgezakte bodem). De kleinere exemplaren werden voor het koken van voedsel gebruikt, waarbij de ketel aan een haak boven of op een drievoet (ring met drie poten) in het vuur werd geplaatst. Ketels met een (heel) grote inhoud, zoals dit exemplaar hier, dienden eerder als water- of afwasvat, brouwketel of badkuip.

Deze monumentale ketel hier werd bij het onderzoek van een verdronken laatmiddeleeuwse nederzetting (1404-1427) nabij Doel in verzet veen van een gracht ontdekt. Helaas was de ketel voor bijna de helft door de graafmachines uiteengereten. Dergelijk type van ketel wordt ook wel een aker genoemd. De bodem lijkt tweemaal hersteld/verstevigd te zijn. Eén grote en één kleine ronde koperplaat werden door middel van één of twee rijen geelkoperen ‘nieten’ (dat zijn opgerolde stukjes koperplaat) langs de binnenzijde aan de bodem bevestigd. Gezien de grootte en omvang lijkt deze ketel eerder als was- of afwasvat te zijn gebruikt.

Wassen, afwassen… Hoe proper waren de middeleeuwers eigenlijk?

Deze gedeeltelijk bewaarde koperen ketel uit de verdronken nederzetting kan best voor het wassen van kledij zijn gebruikt. Koperen ketels krijgen de voorkeur voor het wassen van kledij. Ze warmen heel snel op (heel voordelig want hout was duur) en geven hun warmte ook goed door aan hun inhoud (het waswater).

Excentriek

Middeleeuwers besteden heel wat aandacht aan hun kledij. Voor een edelman of burger mocht kledij best wel excentriek zijn. In hun bliaudsbijvoorbeeld – dat zijn lange gewaden voor mannen en vrouwen – zitten tientallen meters fijne stof (meestal zijde) verwerkt. De bredehouppelandes zijn dan weer met bont afgezet en hebben hele wijde mouwen. En dan heb je nog de veelkleurige mi-parti hozen (kousen). De ambachtslui en boeren houden het eerder bij eenvoudige en praktische kledij: een onderhemd (cotte), broek (braies) en tuniek (surcotte).

Rijk of arm, allen springen ze voorzichtig om met hun kleding. Bovenkledij wordt niet vaak gewassen, maar toch goed verzorgd. Zo wordt regelmatig het stof eruit geklopt, met de hand of met een bundel twijgjes. Om de dure bovenkledij tegen vet- en wijnvlekken te beschermen worden de lange mouwen van de cotte (onderhemd) over de mouwen van bovenkledij getrokken.

De onderkledij is een hemd met lange mouwen (cotte), en dat wordt wel regelmatig met warm water gewassen. Soms worden er kruiden aan het waswater toegevoegd (zoals marjolein) om de kledij lekker te laten geuren of bepaald ongedierte op afstand te houden.

Middeltjes

Wist je dat de middeleeuwers heel wat middeltjes hadden tegen vieze hardnekkige vlekken? Voor vet- of olievlekken wordt jawel urine gebruikt. Warm urine op, laat hierin de stof met vetvlek twee dagen weken, goed uitwringen en spoelen, en weg is vlek. Verjuice is een oud Frans woord voor sap van onrijp fruit, en wordt gebruikt om vlekken uit zijde, damast of satijn te verwijderen.

Erfpunt verbindt en inspireert