2800 jaar graven en wonen aan de Kattestraat in Sint-Gillis-Waas


Sinds 2017/2018 ligt er tussen de Reepstraat en de Kattestraat in Sint-Gillis-Waas een golfterrein met 6 holes. Naar aanleiding van de uitbreiding van de Wase Golf aan de overzijde van de Kattestraat werd in 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hierbij werd al snel duidelijk dat het projectgebied een enorm groot archeologisch potentieel had. Voorgaande onderzoeken in de nabije en ruime omgeving hadden namelijk al veelvuldig de aanwezigheid van resten uit de prehistorie, de brons- en ijzertijd (Kluizenmolen), de Romeinse tijd (Kluizenmolen, Reepstraat, ’t Hol) en de middeleeuwen (het klooster en “Hof van Clusa/Kluize”) aangetoond. Het was dan ook niet verbazingwekkend dat het proefsleuvenonderzoek in het begin van 2023 wees op meerdere waardevolle zones. Deze bevonden zich alle ten westen van de voormalige kleiwinningsputten. In totaal werden drie zones afgebakend waarbinnen een verder onderzoek noodzakelijk was. 

Een overzicht van de site met vooraan de Kattestraat en de werkput met de resten van kleiwinning

In het uiterste zuiden werd bij het vooronderzoek een kuil gevonden waarin een (archeologisch) bijna volledige, licht gesloten, tonvormige pot zat (figuur 2). Deze pot was over het grootste deel van het lichaam “besmeten”. Dit is een proces waarbij een kleipapje op de pot wordt aangebracht waardoor deze een ruw oppervlak krijgt. Deze vorm van afwerking kwam vooral voor in de ijzertijd. Op basis van de typologie kan de pot gedateerd worden in de vroege ijzertijd tot de late La Tène periode, wat ongeveer tussen 800 en 190 v.C. is. Tijdens de opgraving van deze zone werden geen verdere sporen gevonden die uit deze periode dateerden, waardoor het spoor volledig geïsoleerd lijkt te zijn. Hoewel deze potten soms gebruikt werden als urne bij crematiegraven, werd hier geen gecremeerd bot gevonden, waardoor een interpretatie als graf vrijwel volledig uitgesloten kan worden.

Vermoedelijk gaat het om een pot die intentioneel achtergelaten werd, mogelijk bij een – ons onbekend – ritueel. Dit was ook het geval aan het gemeenteplein van Sint-Gillis-Waas, waar in de late bronstijd een “nietdolkje” geplaatst werd onder twee omgekeerde potten. 

Delen van de tonvormige pot uit de (vroege) ijzertijd

In deze zuidelijke werkput werden wel nog twee houtskoolbranderskuilen gevonden. Ook tijdens het proefsleuvenonderzoek waren even ten noorden hiervan al twee van dergelijke kuilen gevonden. Deze kuilen zijn sporen die typisch (ver) weg van bewoning liggen. Houtskoolbranderskuilen werden namelijk gebruik om – zoals de naam al aangeeft – houtskool te produceren. Dit gebeurde altijd in (de buurt van) bossen. De sporen komen vooral voor op eerder droge gronden in de nabijheid van water. Dit laatste was noodzakelijk voor het geval de brand oncontroleerbaar zou worden, waardoor een bosbrand zou kunnen ontstaan. Houtskoolbranderskuilen kwamen voor vanaf de ijzertijd tot in de late middeleeuwen. Momenteel is de datering van de kuilen aan de Kattestraat nog niet duidelijk. Onderzoek van houtskoolbranderskuilen tussen de Kattestraat en de Reepstraat wees daar wel op een datering omstreeks de 10de eeuw. In die periode was er in het grootste deel van het Waasland nog sprake van het zogenaamde Koningsforeest, een bos dat eigendom was van de graven van Vlaanderen. Bewoning was hier in die tijd nog zeer schaars, waarschijnlijk gebeurde de houtskoolproductie dan ook door rondtrekkende groepen. 

In de centrale werkput werden de resten gevonden van bewoning uit de Romeinse tijd. Behalve een gracht en waterput werden twee gebouwplattegronden gevonden. Het gaat in beide gevallen om éénschepige gebouwen. Jammer genoeg werden beide gebouwen in recentere tijden oversneden door grachten, waardoor de plattegronden niet volledig zijn. 

Een eerste gebouw bestaat uit drie zware wandpalen die het dakgebinte hebben gedragen. Aan de noordoostelijke zijde werden vijf kleinere paalkuilen gevonden die mogelijk wijzen op de aanwezigheid van een schilddak. Omdat de zuidwestelijke zijde oversneden werd door een gracht, kon niet meer vastgesteld worden of dat ook daar het geval was. De (bewaarde) lengte van het gebouw was ± 17 en de breedte bedroeg ± 8 m, waardoor het een totale oppervlakte van ± 136 m² moet hebben gehad. Onmiddellijk ten noorden van dit gebouw werd een hele reeks kleinere kuiltjes gevonden. Hierin kon voorlopig nog geen duidelijke structuur herkend worden. 

De sporen van het eerste gebouw in het vlak

De plattegrond van het tweede gebouw was gelijkaardig maar daarvan was de noordelijke lange zijde vernield door een recentere gracht. De zuidelijke lange zijde was opnieuw opgebouwd uit drie zware wandpalen die de dakstructuur moeten ondersteunen. Zowel aan de noordoostelijke als de zuidwestelijke korte zijde werden kleinere paalkuilen gevonden die mogelijk indicatief zijn voor een schilddak. In totaal was dit gebouw ± 15,5 m lang en waarschijnlijk was het ongeveer 8 m breed, waardoor het een totale oppervlakte had van 124 m². 

De meeste noordelijke werkput lag aan de straatkant. De sporen daar wijzen op een vroegere kleiontginning. Deze bestond vooral uit relatief smalle greppels die vooral een noord-zuid-oriëntatie hebben. Waarschijnlijk werden deze gegraven om te zoeken naar de plaatsen waar de onderliggende klei het minst diep te vinden was want op sommige plaatsen werden de greppels veel breder uitgegraven. Op andere plaatsen werden grote kuilen gegraven die tot ongeveer één meter diepte gingen. Nadat de greppels en de kuilen hun nut verloren hadden werden ze weer opgevuld. Daarvoor werd niet alleen de uitgegraven grond gebruikt, maar ook minderwaardige klei die niet bruikbaar was, en productieafval. Bij dat laatste gaat het vooral om honderden, misschien wel duizenden, misbaksels maar ook resten van ovens werden in de greppels en kuilen teruggevonden. De ontginningszone lijkt in het noorden en het zuiden begrensd te zijn geweest door grachten met een oost-westverloop. Op basis van de aardewerksoorten en -vormen die voorlopig al werden herkend, kan de ontginning en opvulling voorlopig geplaatst worden in de late 12de en/of 13de eeuw. 

Na afronding van het veldwerk volgt de immense taak om alle scherven te wassen en te registreren. Meerdere houtskoolstalen zullen verder onderzocht worden om verschillende sporen en structuren beter te kunnen dateren. Daarna zullen alle gegevens samen gebundeld worden in het eindrapport dat over twee jaar afgewerkt moet zijn. Wie graag een steentje bij wil dragen aan het onderzoek, beschikt over een engelengeduld en/of fan is van aartsmoeilijke puzzels die niet compleet zijn en waarbij je niet op de doos kan spieken, mag zich altijd kandidaat stellen! 

Erfpunt verbindt en inspireert