Een ijzertijd‑weefgewicht uit Sinaai: wat één vondst vertelt over wonen, werken en weven
Het archeologische onderzoek
Naar aanleiding van de realisatie van het speelbos aan de site Ter Beke in Sinaai (Sint‑Niklaas) onderzocht Erfpunt in de zomer van 2025 een oppervlakte van bijna 1 ha. De opgraving bracht vijf hoofdgebouwen van het zogenoemde geschrankt vierbeukig type en meerdere bijgebouwen (spiekers) aan het licht, samen met greppels/grachten en landbewerkingssporen. Het geheel dateert hoofdzakelijk uit de late ijzertijd (450-50 v.C.), met een mogelijk doorleven in de vroeg‑Romeinse tijd. Door de overlapping van drie woonstalhuizen weten we dat er minstens drie verschillende bewoningsfasen waren, wat typerend is voor het patroon van de “zwervende erven”.
Na de ijzertijd (of vroeg‑Romeinse tijd) lijkt het terrein geheel verlaten te zijn geweest. Pas vanaf de 15de/16de eeuw is er opnieuw sprake van menselijke ingrepen. Ditmaal in de vorm van de aanleg van de bolle akkers.
Een opmerkelijke vondst
In één van de bijgebouwtjes, een vierpostenspieker, werd in de vulling van een paalkuil een volledig weefgewicht gevonden. Dit had een driehoekige vorm en was ongeveer 9,6 cm breed, 11,1 cm lang en 4,7 cm dik. Aan de hoeken waren doorboringen aangebracht om draden te bevestigen. Op beide vlakke zijden konden duidelijke indeukingen vastgesteld worden.
Hoewel weefgewichten wel vaker teruggevonden worden, gaat het meestal om fragmenten ervan. Weefgewichten zijn namelijk meestal zacht gebakken, waardoor ze gemakkelijk breken. Complete exemplaren in situ in een paalkuil zijn zeldzaam en wijzen op een extra betekenis. Vermoedelijk kan de vondst geassocieerd worden met een ritueel bij het oprichten of verlaten van de nederzetting.
Wat is een weefgewicht en hoe werkte het?
De oudste weefgewichten dateren uit het neolithicum, maar werden voorlopig enkel teruggevonden in het (ruime) Middellandse Zeegebied. Vanaf de bronstijd kennen we ze ook uit Denemarken en de Britse eilanden. Vanaf de ijzertijd worden weefgewichten in heel Noordwest‑Europa teruggevonden. Het gebruik ervan bleef doorleven tot aan de volle middeleeuwen, wanneer het horizontale weefgetouw zijn intrede deed. Daarvoor weefde men in Noordwest‑Europa eerst op een eenvoudig weefraam, en later op een zogenaamde “gewichtenweefstoel”. Bij die laatste hangen de verticale draden (kettingdraden of schering) vanaf een horizontale bovenbalk omlaag. Door hier weefgewichten aan te bevestigen werden de draden verzwaard en op spanning gehouden. Zo konden de horizontale draden (inslag) eenvoudiger geweven worden.

De vorm van weefgewichten kon variëren van driehoekig of piramidaal, over conisch tot ton‑ of donutvormig. Ze werden meestal gemaakt in gebakken klei, maar konden ook – waar voorhanden – uit steen vervaardigd worden. De massa van een gewicht, alsook de dikte en vorm van perforaties hing samen met het type garen en de gewenste weefdichtheid. Zo waren zwaardere gewichten geschikt voor dikkere wolgarens en dichtere weefsels, terwijl lichtere weefgewichten gebruikt werden voor fijnere draden.
Een blik op het leven in de ijzertijd
De vondst van een (volledig) weefgewicht leert ons iets over het dagelijkse leven van de bevolking in de ijzertijd. De inwoners van de nederzetting in Sinaai deden niet enkel aan landbouw voor hun voedselvoorziening, maar ook voor de productie van hun textiel. Deze kon gemaakt worden van wol maar ook plantaardige vezels, zoals vlas, hennep(netels) of (brand)netels, werden gebruikt. De aanwezigheid van spinschijfjes op (ijzertijd)sites – zo ook in Sinaai – toont aan dat het volledige productieproces plaatsvond op het erf.
Daarnaast toont het weefgewicht ons dat gebruiksvoorwerpen niet alleen een louter functionele betekenis hadden. Het achterlaten van een perfect bruikbaar werktuig geeft ons een (beperkte) inkijk in de rituele wereld van onze Menapische voorouders.